Cornage is een term die regelmatig terugkomt wanneer jonge hengsten worden beoordeeld, maar voor veel fokkers blijft onduidelijk wat er precies wordt onderzocht.
Waarom ontstaat het typische ademgeluid? Is cornage erfelijk? Kan een paard met cornage nog normaal presteren? En waarom stelt het KWPN specifieke eisen aan het ademhalingsapparaat van toekomstige dekhengsten?
Binnen de hengstenselectie wordt veel aandacht besteed aan beweging, springvermogen, exterieur, pedigree en sportaanleg. Maar een toekomstige dekhengst moet uiteindelijk ook over een lichamelijke basis beschikken die past bij zijn mogelijke rol als sportpaard én vaderdier.
Daarom kijkt het KWPN niet alleen naar röntgenologische gezondheid. Ook het ademhalingsapparaat wordt onderzocht.
Een belangrijk onderdeel daarvan is het onderzoek naar cornage.
Cornage is de traditionele Nederlandse benaming voor een aandoening van het strottenhoofd — de larynx — waarbij één zijde onvoldoende wordt aangestuurd.
Veterinair wordt tegenwoordig vaak gesproken over recurrent laryngeal neuropathy, afgekort RLN, of over laryngeale hemiplegie.
Bij een gezond paard bewegen de twee arykraakbeentjes en de bijbehorende stembanden tijdens de ademhaling naar buiten. Vooral tijdens inspanning is dat belangrijk: wanneer een paard sneller en dieper moet ademen, moet de luchtweg zich zo ver mogelijk kunnen openen.
Bij cornage functioneert meestal het linker arykraakbeentje onvoldoende. Ook de bijbehorende stemband wordt niet meer normaal aangestuurd.
Daardoor blijft een deel van de luchtweg tijdens de inademing meer naar binnen hangen. Naarmate het paard harder moet ademen, kan dit weefsel verder de luchtweg in worden gezogen.
Dat kan het karakteristieke fluitende of rochelende ademgeluid veroorzaken waaraan de aandoening zijn bekendheid heeft gekregen.
De oorzaak ligt niet primair in de stemband zelf, maar in de zenuwvoorziening van de spieren van het strottenhoofd.
De betrokken zenuw is de Nervus laryngeus recurrens, een tak die verbonden is met de Nervus vagus. Aan de linkerzijde maakt deze zenuwbaan een opvallend lange route: de zenuwvezels lopen tot in de borstkas, maken daar een lus rond de aortaboog en lopen vervolgens langs de luchtpijp weer terug richting het strottenhoofd.
Aan de rechterzijde loopt de recurrente zenuw via een kortere route rond de rechter ondersleutelbeenslagader.
Hierdoor is de linker zenuwbaan bij het paard aanzienlijk langer dan de rechter.
Bij de klassieke vorm van cornage treedt geleidelijke achteruitgang van deze zenuwvezels op. Daardoor worden de spieren die het linker arykraakbeentje naar buiten moeten trekken steeds minder goed aangestuurd en kunnen deze uiteindelijk gedeeltelijk atrofiëren.
Waarom deze zenuwdegeneratie precies ontstaat, is nog altijd niet volledig opgehelderd. Wel weten we dat genetische factoren een rol spelen en dat de lange zenuwbaan aan de linkerzijde bijzonder gevoelig is.
Het typische ademgeluid is vaak het eerste verschijnsel dat mensen met cornage associëren.
Toch is het belangrijk om onderscheid te maken tussen geluid en functionele beperking.
Een paard kan een zekere asymmetrie in zijn strottenhoofd hebben en nog steeds normaal functioneren. Wanneer de luchtweg voldoende open blijft, hoeft een beperkte afwijking niet automatisch tot merkbare inspanningsproblemen te leiden.
Bij ernstigere vormen ontstaat wel een ander beeld.
Wanneer het aangedane arykraakbeentje en de stemband tijdens krachtige inademing verder de luchtweg in komen, wordt de beschikbare ruimte voor lucht kleiner. Daardoor neemt de weerstand toe en moet het paard harder werken om voldoende lucht te verplaatsen.
In ernstige gevallen kan dit resulteren in inspanningsintolerantie en verminderde prestaties.
De invloed daarvan is sterk afhankelijk van de ernst van de aandoening en het soort sport. Een renpaard dat op maximale snelheid enorme hoeveelheden lucht moet verplaatsen stelt andere eisen aan zijn luchtwegen dan een paard dat voornamelijk op lagere intensiteit wordt belast.
Ook bij rijpaarden kan ernstige cornage echter wel degelijk de prestaties beïnvloeden.
Dat is voor jonge hengsten een bijzonder belangrijk punt.
Het ontbreken van een hoorbaar bijgeluid betekent niet automatisch dat de larynx volledig normaal functioneert.
Met een endoscoop kan de dierenarts al verschillen zien in symmetrie, beweeglijkheid en het vermogen van beide arykraakbeentjes om volledig te openen, terwijl een paard tijdens normale beweging nog geen opvallend geluid produceert.
Juist daarom is alleen luisteren niet voldoende wanneer het ademhalingsapparaat van een potentiële dekhengst serieus moet worden beoordeeld.
Het KWPN werkt daarom met laryngoscopie: met een flexibele scoop wordt via de neus naar de keel en het strottenhoofd gekeken.
Zo wordt zichtbaar wat tijdens gewone observatie verborgen kan blijven.
Tijdens een laryngoscopie worden onder andere de beweging en symmetrie van de arykraakbeentjes en stembanden bekeken.
Een gezonde larynx moet tijdens het openen voldoende symmetrisch functioneren. De dierenarts wil kunnen beoordelen of beide zijden bewegen, of de keel volledig kan openen en of er aanwijzingen zijn voor verminderde zenuwfunctie.
Bij de beoordeling kunnen verschillende manoeuvres worden gebruikt om de beweging van het strottenhoofd beter zichtbaar te maken.
Een bekende daarvan is de zogenaamde slaptest. Daarbij wordt een reflex opgewekt terwijl tegelijkertijd met de scoop naar de keel wordt gekeken. De reactie van de stemband geeft aanvullende informatie over de zenuwfunctie.
Het KWPN beschreef bij zijn beoordeling onder andere de symmetrie, beweeglijkheid, het volledig kunnen openen en sluiten van de larynx, de reactie op de slaptest en eventuele andere afwijkingen van de keel als relevante onderdelen.
Bij cornage worden verschillende beoordelingssystemen gebruikt.
Internationaal wordt bijvoorbeeld vaak gewerkt met het Havemeyer-systeem, waarbij de functie van de larynx tijdens een rustend endoscopisch onderzoek in graden wordt ingedeeld. Daarbij loopt de schaal globaal van een normaal functionerende larynx tot volledige verlamming van een arykraakbeentje.
Maar dit systeem moet niet één-op-één worden verward met de formele beoordeling van het KWPN.
Voor het KWPN geldt uiteindelijk zijn eigen veterinaire norm.
In het actuele Veterinairreglement staat dat een paard aan de norm voldoet wanneer het beschikt over een normaal en goed functionerend ademhalingsapparaat, vrij is van cornage en een normaal geluid maakt tijdens de ademhaling in rust en tijdens arbeid.
Het KWPN stelt duidelijke voorwaarden aan het onderzoek van hengsten.
Voor het onderzoek wordt door middel van laryngoscopie een video-opname van de keel gemaakt volgens de specificaties van het stamboek.
Die opname mag voor hengsten in Nederland worden gemaakt op de Faculteit Diergeneeskunde, door daarvoor erkende personen of instellingen binnen de KNMvD-module laryngoscopie of door een specialist Inwendige Ziekten Paard.
De video wordt vervolgens niet simpelweg beoordeeld door de dierenarts die het paard toevallig onderzoekt.
Bij hengsten vindt de formele beoordeling plaats door een door het KWPN benoemde luchtwegenbeoordelingscommissie.
Daarmee probeert het KWPN hengsten volgens een zo uniform mogelijke standaard te beoordelen.
Hier zit een belangrijk verschil met bijvoorbeeld de eigen veterinaire screening die een fokker eerder kan uitvoeren.
Volgens het actuele KWPN Veterinairreglement moeten de opnamen voor het officiële onderzoek van het ademhalingsapparaat zijn gemaakt na 1 december van het jaar waarin het paard twee jaar wordt.
Dat is geen toevallige datum.
Cornage kan zich bij jonge paarden nog ontwikkelen. Het KWPN beschrijft dat veranderingen vaak juist tussen het tweede en derde levensjaar zichtbaar worden en dat de functie van de aangedane stemband en het arykraakbeentje geleidelijk kan verslechteren.
Daarom wil het stamboek voor zijn officiële beoordeling geen opname gebruiken die te vroeg in de ontwikkeling van het paard is gemaakt.
Een scopie die maanden eerder volledig normaal was, is waardevolle informatie.
Maar bij een jong paard is dat nog geen levenslange garantie.
Dat onderscheid is belangrijk wanneer jonge hengsten worden besproken.
Een eigenaar kan een hengst al veel eerder laten scopen.
Dat gebeurt binnen professionele fokkerijen en hengstenhouderijen bijvoorbeeld om in een vroeg stadium te bepalen of het verantwoord is om verder te investeren in een potentiële hengst.
Zo’n vroeg onderzoek kan uitstekend helpen bij de eigen selectie.
Maar wanneer de opname vóór de door het KWPN toegestane datum is gemaakt, kan deze niet simpelweg als de officiële opname voor het latere KWPN-traject worden beschouwd.
Dat betekent ook dat de zin:
“Deze hengst is al op cornage onderzocht”
niet automatisch hetzelfde betekent als:
“Deze hengst heeft het officiële KWPN-cornageonderzoek afgerond.”
Net als bij röntgenologische selectie is de timing en het doel van het onderzoek dus belangrijk.
Bij Maverick Stables begint de veterinaire selectie van een potentiële hengst bewust al vroeg.
In het voorjaar laten wij jonge hengsten die voor ons interessant zijn röntgenologisch onderzoeken. Daarmee willen we, voordat we verder investeren in hun ontwikkeling als hengst, eerst een beter beeld hebben van hun lichamelijke basis.
Wanneer een hengst op die voorjaarsfoto’s voor ons voldoende interessant is en naar verwachting röntgenologisch geschikt is om het traject richting hengstenselectie voort te zetten, combineren wij dat moment met een cornageonderzoek.
Dat onderzoek gebruiken we in deze fase bewust voor onze eigen selectie.
Wanneer een paard op jonge leeftijd al een duidelijk ongunstig beeld laat zien, willen we dat liever vroeg weten. We kunnen vervolgens beoordelen of het nog logisch is hem als hengst aan te houden of dat castratie en een toekomst als sportpaard een passendere route zijn.
Dat voorkomt dat een paard maandenlang als hengst wordt aangehouden en getraind om pas kort voor de hengstenkeuring informatie te ontdekken die we eerder hadden kunnen verzamelen.
Maar ook wanneer de voorjaars-scopie goed is, blijven we ons bewust van de leeftijd van het paard.
De officiële KWPN-opname moet later volgens de daarvoor geldende voorwaarden worden gemaakt.
Een vroege goede scopie is voor ons dus een selectiemiddel — niet het eindpunt van de veterinaire beoordeling.
Cornage is in veel gevallen een progressief proces.
De zenuwfunctie kan geleidelijk verminderen, waardoor een jonge hengst tijdens een vroege scopie nog vrijwel symmetrisch lijkt en later duidelijker verschillen tussen links en rechts kan ontwikkelen.
Dat is ook de reden waarom leeftijd zo belangrijk is bij de interpretatie van een onderzoek.
Het KWPN bepaalt niet alleen dat de officiële opname na 1 december van het tweede levensjaar moet zijn gemaakt, maar stelt ook dat een paard maximaal eenmaal per jaar voor deze formele beoordeling kan worden aangeboden. Wanneer een paard in een later jaar opnieuw wordt aangeboden, moeten eerdere onderzoeken worden gemeld en worden volgens het reglement ook oude opnamen bij de beoordeling betrokken.
Dat voorkomt dat alleen één gunstig moment uit de geschiedenis van een paard wordt bekeken.
Een hengst hoeft bij de eerste bezichtiging nog niet noodzakelijk het officiële onderzoek van zijn ademhalingsapparaat te hebben afgerond.
Dat is mede logisch vanwege de timing van het onderzoek: de officiële laryngoscopische opname mag volgens het KWPN pas worden gemaakt na 1 december van het jaar waarin het paard twee wordt.
Daarom moeten we voorzichtig zijn met conclusies op basis van informatie die tijdens de eerste bezichtiging wel of niet wordt vermeld.
Het traject voor jonge spring- en dressuurhengsten is bovendien de afgelopen jaren veranderd. Sinds 2025 vindt voor driejarige aangewezen hengsten niet meer automatisch direct een voorjaarsverrichtingsonderzoek plaats.
Aangewezen jonge hengsten kunnen onder voorwaarden al in hun eerste dekseizoen worden ingezet. Daarvoor moeten zij voldoen aan de veterinaire en genetische eisen die het KWPN aan deze hengsten stelt.
Voor de in 2026 aangewezen driejarige hengsten moesten de benodigde onderzoeksresultaten vóór 1 april bij het KWPN zijn aangeleverd. Tot deze onderzoeken behoren onder andere PROK, D-OC, WFFS, het spermaonderzoek en het cornageonderzoek.
Vervolgens moet de hengst binnen het daarvoor geldende traject alsnog met goed gevolg een verrichtingsonderzoek afronden om definitief als KWPN-goedgekeurde hengst verder te gaan.
Het cornageonderzoek bevindt zich daarmee niet alleen vlak vóór het verrichtingsonderzoek, maar is binnen het huidige systeem al eerder relevant voor aangewezen jonge hengsten die in hun eerste dekseizoen worden ingezet.
Net als bij PROK moeten we oppassen met wat we uit ontbrekende informatie afleiden.
Wanneer bij een jonge hengst rond de eerste bezichtiging geen officiële cornage-uitslag zichtbaar is, betekent dat niet automatisch dat zijn keel nooit onderzocht is.
De eigenaar kan hem maanden eerder al hebben laten scopen als onderdeel van de eigen selectie.
Het kan ook zijn dat het officiële onderzoek vanwege de voorgeschreven datum pas later plaatsvindt.
Andersom geldt eveneens dat een vroege goede uitslag niet automatisch betekent dat de hengst daarmee al definitief aan de latere KWPN-eisen voldoet.
De correcte conclusie is daarom meestal veel eenvoudiger:
we weten alleen wat daadwerkelijk officieel bekendgemaakt is.
Alles daarbuiten vraagt om aanvullende informatie.
De luchtwegenbeoordelingscommissie beoordeelt de ingediende opname.
Wanneer de opname technisch niet voldoende is om tot een betrouwbare beoordeling te komen, mag de commissie de opname weigeren. Ook kan zij aanvullende beelden verlangen of zelf een aanvullende opname laten maken.
Tegen de uitslag van het onderzoek bestaat bovendien een beroepsmogelijkheid.
Volgens het huidige Veterinairreglement kan de geregistreerde binnen tien dagen na verzending van de uitslag schriftelijk beroep aantekenen en om herbeoordeling verzoeken.
Bij die herbeoordeling kan naast de oorspronkelijke opname eventueel een nieuwe opname worden betrokken die op de Faculteit Diergeneeskunde is gemaakt.
Dat laat zien dat de beoordeling van de luchtwegen binnen de hengstenselectie niet wordt behandeld als een losse momentopname zonder controlemechanisme.
Dit is waarschijnlijk de belangrijkste vraag vanuit fokkerijperspectief — en tegelijkertijd een vraag waarop een te simpel antwoord misleidend zou zijn.
Cornage heeft een erfelijke component, maar het is geen eenvoudige enkelvoudig erfelijke aandoening.
Het KWPN beschrijft de erfelijkheid als complex, multigenetisch en multifactorieel. Meerdere genen kunnen bijdragen aan de aanleg en mogelijk spelen daarnaast andere factoren tijdens de ontwikkeling van het paard een rol.
Ook modern genetisch onderzoek ondersteunt dat beeld.
In studies bij Warmbloods zijn genetische regio’s gevonden die samenhangen met recurrent laryngeal neuropathy. Recente studies bij Thoroughbreds laten eveneens een meetbare erfelijke component zien en identificeren verschillende genetische risicoloci.
Dat betekent niet dat we vandaag één DNA-test kunnen uitvoeren en vervolgens met zekerheid kunnen voorspellen of een paard cornage zal ontwikkelen.
De genetische architectuur is daarvoor te complex.
Het betekent wél dat selectie van vader- en moederdieren invloed kan hebben op het risico binnen een populatie.
Een interessante en regelmatig terugkerende relatie is die tussen lichaamsgrootte en cornage.
Grotere paarden lijken gemiddeld een hoger risico te hebben op recurrent laryngeal neuropathy dan kleinere paarden. Ook langere halzen worden in oudere studies en veterinaire literatuur regelmatig met een verhoogd risico in verband gebracht.
Genetisch onderzoek heeft eveneens een relatie gevonden tussen lichaamsgrootte en RLN.
Dat betekent echter niet dat een groot paard automatisch cornage krijgt — of dat een kleiner paard de aandoening niet kan ontwikkelen.
Lichaamsgrootte is een risicofactor, geen diagnose.
Dat onderscheid is juist in de moderne sportpaardenfokkerij belangrijk, omdat formaat vaak bewust wordt geselecteerd terwijl gezondheid tegelijkertijd een belangrijk fokdoel blijft.
Nee.
Hoewel de klassieke linkszijdige vorm van recurrent laryngeal neuropathy een duidelijke genetische component heeft, kan beschadiging van de zenuw ook andere oorzaken hebben.
Aandoeningen of trauma rond de hals, luchtzakken of omliggende structuren kunnen bijvoorbeeld de Nervus recurrens beschadigen. Ook worden bepaalde infectieuze processen en beschadiging rond bloedvaten genoemd als mogelijke secundaire oorzaken.
Daarom moet een individuele afwijking altijd in veterinaire context worden geïnterpreteerd.
De aanwezigheid van verminderde larynxfunctie betekent dus niet automatisch dat de oorzaak in ieder individueel paard hetzelfde is.
Voor populatieselectie is de klassieke vorm echter juist relevant omdat daarbij genetische aanleg een rol speelt.
De meeste routinematige beoordelingen vinden plaats terwijl het paard stilstaat.
Maar de omstandigheden veranderen sterk zodra een paard intensief gaat werken.
Tijdens zware inspanning stroomt veel meer lucht door de luchtwegen en ontstaat tijdens de inademing een veel sterkere negatieve druk. Structuren die in rust nog redelijk stabiel lijken, kunnen tijdens arbeid daardoor anders functioneren.
Wanneer een paard bijvoorbeeld tijdens het rijden een duidelijk ademgeluid maakt of slecht presteert terwijl het onderzoek in rust geen overtuigende verklaring geeft, kan dynamische endoscopie worden gebruikt.
Daarbij blijft de scoop tijdens het bewegen op zijn plaats en wordt de larynx bekeken terwijl het paard daadwerkelijk arbeid verricht.
Met draagbare apparatuur kan dat tegenwoordig ook tijdens het rijden.
Een dynamische scopie is daarmee een waardevol diagnostisch middel, maar moet niet worden verward met het standaard officiële KWPN-onderzoek van een jonge hengst.
Ja.
Voor sportpaarden bestaan verschillende chirurgische behandelingen. Welke behandeling passend is, hangt af van de ernst van de aandoening, de klachten en het gebruiksdoel van het paard.
Een bekende ingreep is de zogenaamde tie-back, officieel prosthetische laryngoplastiek. Daarbij wordt het aangedane arykraakbeentje chirurgisch in een meer geopende positie gefixeerd om de luchtpassage tijdens inspanning te verbeteren.
Andere technieken kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld het ademgeluid te verminderen of bepaalde structuren van de larynx te behandelen.
Dat een aandoening chirurgisch behandeld kan worden, maakt de fokkerijvraag echter niet irrelevant.
Een behandeling verandert immers niet automatisch de oorspronkelijke genetische aanleg van het paard.
Daarom moeten we onderscheid maken tussen:
Kan dit individuele paard na behandeling functioneren als sportpaard?
en:
Willen we deze eigenschap binnen een fokpopulatie verder verspreiden?
Dat zijn twee verschillende vragen.
Ook eerdere veterinaire behandelingen zijn relevant wanneer een hengst voor een KWPN-keuring of beoordeling wordt aangeboden.
Het KWPN Veterinairreglement bepaalt dat iedere veterinaire behandeling — door operatie, medicatie of anderszins — die de oorspronkelijke constitutie van een paard heeft beïnvloed of kan beïnvloeden, bij de aanmelding voor een keuring of beoordeling schriftelijk juist en volledig moet worden gemeld.
Dat is breder dan alleen het ademhalingsapparaat en geldt dus niet uitsluitend voor cornage.
Wanneer een dergelijke behandeling pas na de aanmelding plaatsvindt, moet deze volgens het reglement uiterlijk 24 uur vóór deelname schriftelijk worden gemeld. Het Algemeen Bestuur beslist in dat geval over de toelating tot de keuring.
Ook veterinaire ingrepen en behandelingen moeten volgens de voorgeschreven wijze in het paardenpaspoort worden vastgelegd.
Voor een hengst die eerder aan zijn luchtwegen is geopereerd, betekent dit dus dat zo’n veterinaire voorgeschiedenis niet simpelweg buiten de beoordeling kan worden gehouden wanneer de ingreep onder deze meldingsplicht valt.
Bij een individueel sportpaard kan de situatie heel anders liggen dan bij een potentiële dekhengst.
Een sportpaard met een lichte afwijking kan mogelijk jarenlang zonder noemenswaardige problemen functioneren. Zelfs wanneer behandeling nodig is, zijn er tegenwoordig goede veterinaire mogelijkheden.
Maar een dekhengst heeft een andere functie.
Een hengst kan genetische invloed krijgen op honderden of duizenden nakomelingen.
Wanneer een aandoening een erfelijke component heeft, wordt de vraag daarom niet alleen of het individuele paard ermee kan functioneren, maar ook of het verstandig is die aanleg binnen de populatie verder te verspreiden.
Het KWPN screent toekomstige dekhengsten al sinds de jaren zeventig op cornage. De achterliggende gedachte is daarmee in de kern dezelfde gebleven: behandeling kan een individueel paard helpen, maar fokkerijselectie probeert het probleem al vóór de volgende generatie te beperken.
Net als bij PROK is het belangrijk om een medische uitslag niet groter te maken dan hij is.
Een normale laryngoscopie geeft waardevolle informatie over het functioneren van de larynx op het moment waarop het paard wordt onderzocht.
Vooral bij een volwassen paard dat jarenlang probleemloos op hoog niveau heeft gepresteerd, heeft zo’n geschiedenis een andere betekenis dan één vroege opname van een jong paard.
Bij een tweejarige hengst staat de ontwikkeling nog niet stil.
Daarom interpreteren wij een vroege goede uitslag als positieve informatie, maar nooit als absolute garantie dat er later geen verandering kan optreden.
Dat is precies waarom het tijdstip van het officiële KWPN-onderzoek zo relevant is.
Bij Maverick Stables proberen we veterinaire informatie zo vroeg mogelijk mee te nemen in onze beslissingen, zonder te doen alsof één onderzoek het volledige antwoord geeft.
Wanneer we een jonge hengst serieus als hengstkandidaat overwegen, willen we vóór een lang voorbereidingstraject meer weten over zijn lichamelijke uitgangspositie.
Daarom combineren we onze voorjaarsselectie op röntgenfoto’s, wanneer het paard voor ons voldoende interessant is om als hengst verder te gaan, met een vroeg cornageonderzoek.
Niet omdat dat de officiële KWPN-beoordeling vervangt.
En ook niet omdat een goede uitslag op jonge leeftijd absolute zekerheid geeft.
We doen het omdat informatie ons helpt betere beslissingen te nemen.
Als een paard uiteindelijk niet geschikt blijkt voor een traject als dekhengst, hoeft dat bovendien niets te zeggen over zijn waarde als sportpaard. De eisen die we aan een potentiële vader van een volgende generatie stellen, zijn nu eenmaal anders dan de eisen die bepalen of een individueel paard een succesvolle sportcarrière kan hebben.
Juist dat onderscheid vinden wij belangrijk.
Want veterinaire selectie gaat binnen de fokkerij niet alleen over de vraag:
“Kan dit paard functioneren?”
maar ook over:
“Welke eigenschappen willen we verantwoord doorgeven aan de volgende generatie?”
Daarom is cornageonderzoek voor ons geen los veterinair vinkje, maar onderdeel van een veel groter verhaal over gezondheid, duurzaamheid en fokkerijkeuzes.
Dit artikel is bedoeld als algemene informatie over cornage, veterinaire screening en de hengstenselectie. Het vervangt geen onderzoek, diagnose of advies van een dierenarts. De betekenis van een laryngoscopische bevinding moet altijd worden beoordeeld in relatie tot het individuele paard, zijn leeftijd, klinische verschijnselen, gebruiksdoel en volledige veterinaire voorgeschiedenis.
Voor dit artikel hebben we gebruikgemaakt van officiële informatie van het KWPN en aanvullende veterinaire en wetenschappelijke bronnen. Wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen, kan de onderstaande bronnen rechtstreeks raadplegen.
KWPN — Veterinairreglement
Het officiële veterinaire reglement van het KWPN. Hierin staan onder andere de voorwaarden voor het onderzoek van het ademhalingsapparaat, de eisen aan de laryngoscopische opname, de beoordeling door de luchtwegenbeoordelingscommissie, de geldigheid van het onderzoek en de beroepsprocedure.
KWPN — Cornage: ongewenst in de fokkerij, maar goed te behandelen
Uitgebreid veterinair achtergrondartikel van het KWPN over cornage, geschreven met prof. dr. Marianne Sloet, drs. Tsjester Huppes en prof. dr. Harold Brommer. Het artikel behandelt onder andere de anatomie van het strottenhoofd, de Nervus recurrens, diagnostiek, erfelijkheid, behandeling en het belang van selectie binnen de fokkerij.
KWPN — Hengstenselectie
Actuele informatie van het KWPN over het hengstenselectietraject en de veterinaire onderzoeken die toekomstige KWPN-dekhengsten gedurende het selectieproces doorlopen.
Merck Veterinary Manual — Laryngeal Hemiplegia in Horses
Veterinaire achtergrondinformatie over recurrent laryngeal neuropathy (RLN), de werking van de Nervus recurrens, diagnostiek door middel van statische en dynamische endoscopie, het Havemeyer-graderingssysteem en mogelijke behandelingen.
Merck Veterinary Manual — Disorders of the Larynx in Horses
Aanvullende uitleg over aandoeningen van het strottenhoofd bij paarden, waaronder laryngeale hemiplegie en de invloed daarvan op ademhaling en inspanning.
Voor de beschrijving van de genetische component van recurrent laryngeal neuropathy is daarnaast gebruikgemaakt van wetenschappelijke literatuur over de erfelijkheid en genetische risicofactoren van RLN bij paarden.
PubMed — Genetic studies into recurrent laryngeal neuropathy in horses
Wetenschappelijke publicatie over genetische factoren die samenhangen met recurrent laryngeal neuropathy.
McGivney et al. (2025) — A genome-wide association study for recurrent laryngeal neuropathy in the Thoroughbred horse identifies a candidate gene that regulates myelin structure
Recente genome-wide association study naar recurrent laryngeal neuropathy (RLN) bij Thoroughbreds. De onderzoekers vonden een meetbare erfelijke component en identificeerden meerdere genetische risicogebieden die mogelijk bijdragen aan het ontstaan van RLN.
Let op: veterinaire voorwaarden en selectiereglementen kunnen door het KWPN worden aangepast. Voor deelname aan een specifiek selectiejaar zijn daarom altijd het meest recente KWPN-reglement en de actuele uitvoeringsbesluiten leidend.