Een verantwoorde aanpak van parasietenmonitoring, gerichte behandeling en de gezondheid van paarden op lange termijn
Inwendige parasieten horen bij het houden van paarden. Volledige uitroeiing is geen realistisch of verstandig doel. Het gaat erom te voorkomen dat de hoeveelheid parasieten schadelijk wordt en tegelijkertijd de werkzaamheid van de beschikbare ontwormingsmiddelen te behouden.
Paarden werden jarenlang volgens een vaste kalender ontwormd. Iedere zes of acht weken kregen ze opnieuw een middel toegediend, vaak alle paarden op stal, ongeacht hun leeftijd, management of daadwerkelijke parasietenbelasting.
Inmiddels weten we dat parasietenbestrijding een veel meer doordachte aanpak vraagt.
In Nederland verschuift het veterinaire advies steeds meer naar selectief behandelen op basis van diagnostisch onderzoek, het individuele paard en de omstandigheden waarin het wordt gehouden. Paardenarts.nl adviseert eveneens om de aanpak af te stemmen op het paard en de situatie waarin het leeft.
Bij Maverick Stables sluit dit goed aan bij de manier waarop we preventieve zorg voor paarden benaderen.
Onderzoek wanneer dat zinvol is. Begrijp de uitslag. Behandel wanneer daar een reden voor is.
Vrijwel ieder paard dat graast, komt in zijn leven in aanraking met inwendige parasieten. Eieren en larven maken deel uit van de omgeving waarin paarden grazen. Blootstelling is dan ook niet volledig te voorkomen.
Het doel van een goed parasietenbeleid is daarom niet om een paard volledig vrij van parasieten te maken.
Het doel is om parasietenbelastingen te voorkomen die de gezondheid kunnen schaden, onnodige besmetting van de weide te beperken, paarden te herkennen die relatief veel eitjes uitscheiden en extra aandacht te geven aan dieren die kwetsbaarder zijn, zoals veulens en jonge paarden.
Tegelijkertijd hebben we nog een andere verantwoordelijkheid: de werkzaamheid behouden van de ontwormingsmiddelen die we tot onze beschikking hebben.
Herhaalde blootstelling aan ontwormingsmiddelen zorgt voor selectiedruk binnen parasietenpopulaties. Gevoelige wormen worden gedood, terwijl wormen die resistent zijn vaker overleven en zich voortplanten. Na verloop van tijd kan daardoor een steeds resistentere parasietenpopulatie ontstaan.
Veterinaire adviezen in Nederland en daarbuiten raden daarom af om alle paarden het hele jaar door blindelings volgens vaste intervallen te ontwormen.
Goed parasietenbeleid draait niet meer alleen om hoe vaak we behandelen.
Het gaat om de vraag of behandeling nodig is, welke parasiet we willen aanpakken en of het gekozen middel nog werkzaam is.
Traditionele ontwormingsschema’s ontstonden in een periode waarin zeer effectieve ontwormingsmiddelen ruim beschikbaar waren en resistentie veel minder vaak voorkwam.
De situatie is inmiddels veranderd.
Resistentie onder paardenparasieten — met name kleine strongyliden — is internationaal een belangrijk aandachtspunt. Tegen sommige groepen ontwormingsmiddelen is wijdverspreide resistentie vastgesteld; ook zijn er toenemende zorgen over een verminderde werkzaamheid van andere middelen.
Onnodig behandelen zorgt voor extra selectiedruk.
Telkens wanneer een parasietenpopulatie aan een ontwormingsmiddel wordt blootgesteld, worden gevoelige parasieten gedood. Parasieten met eigenschappen die resistentie geven, hebben vervolgens meer kans om te overleven en zich voort te planten.
Onnodige behandelingen kunnen zo op termijn bijdragen aan het ontstaan van resistente parasietenpopulaties.
Daarom stellen we bij verantwoord parasietenbeheer een andere vraag.
Niet:
“Wanneer is het tijd voor de volgende ontworming?”
Maar:
“Heeft dit paard behandeling nodig en, zo ja, welke parasiet proberen we aan te pakken?”
Mestonderzoek naar wormeieren is een van de nuttigste hulpmiddelen om de uitscheiding van parasieteneieren te volgen. Een mestmonster wordt onderzocht op parasieteneieren. De uitslag wordt weergegeven als het aantal eieren per gram mest, meestal afgekort als EPG.
Dit geeft informatie over de hoeveelheid eitjes die een paard op dat moment aan de omgeving bijdraagt.
Paarden verschillen hierin van elkaar. Sommige volwassen paarden scheiden herhaaldelijk heel weinig strongylideneieren uit, terwijl andere paarden consequent grotere aantallen uitscheiden. Door die verschillen te herkennen, kunnen we de aanpak beter op het individuele paard afstemmen.
Paardenarts.nl adviseert mestonderzoek als belangrijke basis voor selectief ontwormen bij volwassen paarden, in plaats van ieder paard volgens hetzelfde vaste schema te behandelen. Voor paarden ouder dan drie jaar kan onderzoek op meerdere momenten tijdens het weideseizoen deel uitmaken van een individueel parasietenbeleid.
Bij Maverick Stables past dit principe bij onze manier van werken. Een volwassen paard dat herhaaldelijk weinig eitjes uitscheidt, hoeft niet automatisch op dezelfde manier te worden behandeld als een paard dat consequent grotere hoeveelheden uitscheidt en de omgeving zwaarder belast.
Een mestonderzoek moet wel goed worden geïnterpreteerd.
Het meet de uitscheiding van eitjes. Het vertelt niet rechtstreeks hoeveel wormen in het paard aanwezig zijn en brengt niet iedere parasiet of levensfase betrouwbaar in beeld.
Ook het moment van onderzoek is belangrijk.
In de herfst en winter kunnen sommige parasieten minder of helemaal geen eitjes produceren. Paardenarts.nl wijst erop dat een negatieve uitslag van een mestonderzoek later in het jaar daardoor een vertekend beeld kan geven. De uitslag kan alleen betekenen dat er op het moment van bemonsteren geen eitjes werden uitgescheiden — niet dat het paard volledig vrij is van parasieten.
Voor ons is een mestonderzoek daarom een belangrijk hulpmiddel voor het management, maar geen volledige diagnose op zichzelf.
Een belangrijke beperking van parasietenonderzoek is dat geen enkele diagnostische methode iedere inwendige parasiet bij paarden betrouwbaar kan aantonen. Een standaard mestonderzoek is erg nuttig, maar alleen als we begrijpen wat de uitslag ons wel en niet vertelt.
Bij strongyliden is mestonderzoek een belangrijk hulpmiddel. Het helpt ons inschatten in welke mate een paard bijdraagt aan besmetting van de weide. Bij jongere paarden kunnen ook spoelwormeieren op deze manier worden aangetoond. Andere parasieten gedragen zich echter heel anders en zijn door hun levenscyclus lastiger met een gewoon mestmonster op te sporen.
Lintwormen zijn daar een goed voorbeeld van. Hun eitjes worden niet voortdurend uitgescheiden, waardoor ze bij een gebruikelijk mestonderzoek gemist kunnen worden. Aarsmaden vormen een andere uitdaging: zij leggen hun eitjes rond de anus en niet op een betrouwbare manier in de mest. Ingekapselde larven van kleine strongyliden kunnen bovendien in de darmwand aanwezig blijven zonder eitjes te produceren.
Dit is vooral later in het jaar relevant. In de herfst en winter verandert de activiteit van parasieten en worden sommige stadia veel moeilijker met een standaard mestonderzoek aangetoond. Veterinaire informatie uit Nederland benadrukt daarom dat een negatieve uitslag niet automatisch bewijst dat een paard vrij is van parasieten.
Dat onderscheid vinden we belangrijk. “Eerst onderzoeken, dan behandelen” moet niet te letterlijk worden opgevat als een vaste regel waarbij een positieve mestuitslag altijd nodig is voordat een paard behandeld mag worden. Het doel van onderzoek is om de juiste informatie te verzamelen en voor de parasiet, het seizoen en het individuele paard de meest passende diagnostische methode te kiezen.
Lintworm is een duidelijk voorbeeld van waarom modern parasietenbeleid meer vraagt dan alleen een standaard mestonderzoek.
De paardenlintworm Anoplocephala perfoliata hecht zich vooral in de buurt van de overgang tussen de dunne darm en de blinde darm. Omdat lintwormeitjes onregelmatig worden uitgescheiden, kunnen ze bij een gewoon mestonderzoek worden gemist. Een negatieve mestuitslag sluit een lintwormbesmetting dus niet altijd uit.
Die onzekerheid is er historisch een van de redenen voor geweest dat lintwormbehandeling vaker standaard in najaarsprogramma’s werd opgenomen. Nu het parasietenbeleid steeds selectiever wordt, neemt ook de behoefte toe aan diagnostische middelen die vóór behandeling specifiekere informatie kunnen geven.
Een speekseltest op antistoffen is zo’n mogelijkheid. In plaats van rechtstreeks naar parasieteneitjes te zoeken, meet deze test de afweerreactie van het paard op blootstelling aan lintworm. Dat geeft dierenartsen en paardeneigenaren aanvullende informatie bij de afweging of behandeling passend is.
Voor ons is dit precies de richting waarin verantwoord parasietenbeleid zich zou moeten ontwikkelen. Het doel is niet om behandeling koste wat kost te vermijden, maar om behandelbeslissingen te nemen op basis van zo veel mogelijk relevante informatie.
Aarsmaden laten nog duidelijker zien waarom de diagnostische methode moet aansluiten bij de levenscyclus van de parasiet.
Volwassen vrouwelijke Oxyuris equi trekken naar de anus en leggen hun eitjes in een kleverige substantie op de huid eromheen. Omdat die eitjes buiten het darmkanaal worden afgezet, zijn ze niet consequent in de mest aanwezig. Een paard kan daarom duidelijke verschijnselen van een aarsmadenbesmetting hebben, terwijl een standaard mestonderzoek geen eitjes laat zien.
Vaak is het eerste signaal niet een laboratoriumuitslag, maar een verandering in het gedrag van het paard. Aanhoudend schuren met de staart, jeuk rond de staartwortel en beschadigde staartbeharing kunnen aanleiding geven om aan aarsmaden te denken.
In zulke gevallen kan een plakbandpreparaat van de huid rond de anus nuttiger zijn dan opnieuw een gewoon mestmonster onderzoeken.
Dit onderstreept voor ons een belangrijk punt: goede diagnostiek draait niet om onderzoeken om het onderzoek. Het begint met de juiste vraag en vervolgens de test kiezen die die vraag het best kan beantwoorden.
Vanaf 1 oktober 2026 heeft Dierenkliniek Emmeloord het parasietenonderzoek naast het gebruikelijke mestonderzoek uitgebreid.
Tot nu toe richtte standaard mestonderzoek zich vooral op bloedwormen en spoelwormen. Voor lintwormen en aarsmaden is gewoon mestonderzoek minder betrouwbaar.
De kliniek biedt nu aanvullend onderzoek naar beide aan.
Blootstelling aan lintworm kan worden onderzocht door antistoffen in het speeksel van het paard te meten. Volgens Dierenkliniek Emmeloord kan dit, wanneer dat passend is, jaarlijks worden uitgevoerd. Bij paarden met verschijnselen die op aarsmaden kunnen wijzen, zoals aanhoudende jeuk rond de staartwortel, kan een eenvoudig plakbandpreparaat worden gebruikt om te onderzoeken of er eitjes aanwezig zijn.
Voor ons is dit een waardevolle ontwikkeling, omdat het een extra laag aan de besluitvorming toevoegt. In plaats van blindelings te behandelen tegen parasieten die mogelijk wel of niet aanwezig zijn, kunnen we specifiekere informatie verzamelen en vervolgens samen met de dierenarts bepalen of behandeling nodig is.
Dit sluit goed aan bij onze manier van preventieve zorg bij Maverick Stables. We begrijpen liever eerst wat er speelt en grijpen met een duidelijke reden in, dan dat we routinematig behandelen zonder te weten of dat nodig is.
De herfst is het moment van het jaar waarop parasietenbeheer ingewikkelder wordt.
Tijdens het belangrijkste deel van het weideseizoen geeft mestonderzoek ons nuttige informatie over de uitscheiding van strongylideneieren. Later in het jaar wordt dat beeld minder volledig. Sommige parasieten bevinden zich dan in stadia waarin ze weinig of geen eitjes produceren; andere zijn met standaard mestonderzoek simpelweg moeilijk op te sporen.
Ingekapselde larven van kleine strongyliden zijn hierbij bijzonder belangrijk. Ze kunnen in de darmwand aanwezig blijven zonder dat ze bijdragen aan de uitslag van het mestonderzoek. Ook lintwormen en paardenhorzellarven vragen om aparte aandacht.
Daarom wordt parasietenbeheer in de herfst in Nederlandse veterinaire adviezen als een afzonderlijk onderwerp behandeld. Het is niet voldoende om de aanpak uit de lente en zomer zonder meer voort te zetten.
Het principe “eerst onderzoeken, dan behandelen” vraagt in de herfst om nuance. Onderzoek blijft zeer waardevol, maar een negatieve mestuitslag betekent niet automatisch dat behandeling achterwege kan blijven.
De beslissing moet gebaseerd zijn op het hele paard: leeftijd, weidegeschiedenis, eerdere mestuitslagen, eerdere behandelingen, klinische verschijnselen en de parasieten die in die periode van het jaar relevant zijn.
Soms is het meest verantwoorde besluit om niet te behandelen. In andere gevallen kan behandeling ondanks een lage of negatieve uitslag van standaard mestonderzoek toch gerechtvaardigd zijn.
Parasietenbeheer bij veulens en jonge paarden verdient extra aandacht. Hun afweersysteem heeft nog niet dezelfde verworven weerstand opgebouwd als dat van veel volwassen paarden.
Daardoor zijn jonge paarden kwetsbaarder voor bepaalde parasieten, vooral spoelwormen zoals Parascaris. Een zware besmetting kan de groei en conditie beïnvloeden en in ernstige gevallen bijdragen aan ernstige darmproblemen.
Daarom kan het ontwormingsprogramma voor een volwassen fokmerrie of sportpaard niet zomaar worden overgenomen voor een veulen of jaarling.
Ook veterinaire richtlijnen maken onderscheid tussen jonge en volwassen paarden, omdat hun risicoprofiel verschilt en niet iedere behandeling op iedere leeftijd geschikt is.
Dit is voor ons bijzonder relevant, omdat de begeleiding van jonge paarden een belangrijk onderdeel van onze stal vormt. Leeftijd, ontwikkeling, eerdere behandelingen en herkomst spelen allemaal mee bij de interpretatie van onderzoeksuitslagen en de afweging of behandeling nodig is.
Het uitgangspunt blijft hetzelfde: laat informatie de beslissing ondersteunen. De manier waarop we dat uitgangspunt toepassen, verandert echter met het paard mee.
Een nieuw paard brengt meer mee naar een stal dan alleen een paspoort en een vaccinatiegeschiedenis.
Het kan ook een heel andere geschiedenis van parasietenbeheer hebben.
Een paard dat van een andere stal, fokkerij of uit een ander land komt, kan volgens een heel ander systeem zijn behandeld. Het kan vaak zijn ontwormd, juist weinig behandelingen hebben gehad of middelen hebben gekregen die niet meer volledig werkzaam zijn tegen de parasietenpopulatie die het bij zich draagt.
Dat betekent niet dat een nieuw paard automatisch een risico vormt. Het betekent wel dat aannames niet helpen.
De eerdere behandelingen bekijken, mestonderzoek overwegen en vervolgonderzoek met de dierenarts bespreken, levert vaak meer bruikbare informatie op dan het nieuwe paard simpelweg opnemen in de bestaande stalroutine.
Voor een fokkerij- en opfokstal is dit extra relevant, omdat paarden uit verschillende regio’s en landen kunnen komen. Ieder paard heeft zijn eigen achtergrond. Die achtergrond speelt ook mee bij parasietenbeheer.
Een van de belangrijkste lessen uit de resistentie tegen ontwormingsmiddelen is dat het toedienen van een middel niet automatisch betekent dat de behandeling het gewenste effect heeft gehad.
Een middel kan correct zijn gedoseerd en toch onvoldoende leiden tot een afname van de uitscheiding van wormeieren, bijvoorbeeld doordat de parasietenpopulatie resistentie heeft ontwikkeld.
Daarvoor kan een mest-eitellingreductietest, ook wel een Faecal Egg Count Reduction Test genoemd, nuttig zijn.
Eerst wordt een mestonderzoek uitgevoerd, daarna volgt de behandeling en op het daarvoor geschikte moment wordt opnieuw mest onderzocht. Door de uitslagen te vergelijken, kan worden ingeschat hoe effectief het middel de uitscheiding van eitjes heeft verminderd.
Dit verandert parasietenbeheer op een belangrijk punt. In plaats van aan te nemen dat de behandeling goed heeft gewerkt, kunnen we het effect daadwerkelijk beoordelen.
Paardenarts.nl adviseert vervolgonderzoek wanneer de werkzaamheid van een behandeling moet worden beoordeeld. Ook internationale richtlijnen van de AAEP benadrukken dat het belangrijk is om de werkzaamheid van middelen binnen een stal of groep te monitoren.
Voor ons is dat een logisch vervolg op dezelfde aanpak: als we besluiten te behandelen, moeten we ook bereid zijn te controleren of die behandeling heeft bereikt wat we ermee wilden bereiken.
Een minder vanzelfsprekend idee binnen modern parasietenbeheer is het begrip refugia.
Refugia is het deel van de parasietenpopulatie dat op een bepaald moment niet aan een ontwormingsmiddel wordt blootgesteld.
Het kan in eerste instantie tegenstrijdig klinken om een deel van de parasieten niet aan behandeling bloot te stellen. Vanuit het oogpunt van resistentie is dit echter belangrijk.
Wanneer iedere parasiet herhaaldelijk aan hetzelfde middel wordt blootgesteld, krijgen resistente wormen een sterk biologisch voordeel. Gevoelige parasieten verdwijnen, terwijl resistente parasieten overleven en zich voortplanten.
Door onnodige behandeling te vermijden bij paarden die die niet nodig hebben, blijven gevoelige parasieten deel uitmaken van de grotere populatie. Hun gevoelige genetische eigenschappen helpen de resistente eigenschappen te verdunnen en kunnen de verspreiding van resistentie vertragen.
Dit betekent niet dat we slechte parasietenbestrijding accepteren. Het betekent dat meer behandelen niet altijd beter behandelen is.
Het doel is om te behandelen wanneer daar een reden voor is en de werkzaamheid van de middelen te behouden voor de paarden die ze daadwerkelijk nodig hebben.
Medicatie is maar één onderdeel van parasietenbeheer.
De omgeving waarin paarden leven, heeft grote invloed op de besmettingsdruk waaraan zij worden blootgesteld.
Strongylideneieren komen met de mest naar buiten en ontwikkelen zich onder geschikte omstandigheden tot besmettelijke larven op de weide. Tijdens het grazen nemen paarden die larven vervolgens op.
De paddock en weide maken daardoor deel uit van het parasietenbeleid.
Mestmanagement, de bezettingsgraad, weiderotatie en het verplaatsen van paarden tussen paddocks kunnen allemaal invloed hebben op de mate waarin een gebied besmet raakt. Paardenarts.nl benadrukt daarom dat weidemanagement een belangrijk onderdeel is van het verlagen van de parasietendruk.
Bij Maverick Stables zien we dit als onderdeel van goed algemeen paardenmanagement, niet als een afzonderlijke ontwormingstaak.
Onderzoek is nuttiger wanneer de besmettingsdruk vanuit de omgeving wordt beheerst. Behandeling is betekenisvoller wanneer herbesmetting niet onnodig wordt aangemoedigd. Individuele monitoring levert meer op wanneer ook de groep en de weideomstandigheden worden meegewogen.
Eén mestonderzoek geeft informatie over één paard op één moment.
Een reeks uitslagen vertelt ons veel meer.
Sommige volwassen paarden scheiden herhaaldelijk weinig eitjes uit. Andere dragen consequent meer bij aan besmetting van de weide. Jonge paarden kunnen aanvankelijk een heel ander patroon laten zien, dat verandert naarmate ze ouder worden en meer weerstand ontwikkelen.
Door uitslagen door de tijd heen vast te leggen, kunnen we het individuele patroon van een paard beter herkennen.
Daardoor worden toekomstige beslissingen beter onderbouwd: we hoeven niet iedere uitslag te behandelen als een losstaand gegeven.
Voor ons sluit dit aan bij een breder principe in paardenmanagement. Observeren is nuttig, maar observaties vastleggen is nog waardevoller.
Patronen worden pas zichtbaar wanneer we de tijd nemen om ze te registreren.
“Eerst onderzoeken, dan behandelen” is een nuttig uitgangspunt, maar mag nooit een starre regel worden.
Een paard hoeft niet eerst een positieve uitslag van een standaard mestonderzoek te hebben voordat behandeling ooit gerechtvaardigd kan zijn.
Leeftijd, seizoen, voorgeschiedenis, klinische verschijnselen of bekende parasietenrisico’s kunnen in bepaalde situaties een geldige reden zijn om te behandelen, zelfs wanneer standaard onderzoek weinig informatie oplevert.
Sommige parasieten kunnen niet betrouwbaar met een gewoon mestmonster worden aangetoond. Sommige stadia produceren geen eitjes. Jonge paarden vragen om een andere beoordeling dan volwassen paarden. De herfst vraagt om een andere interpretatie dan de lente en zomer.
De juiste beslissing komt daarom voort uit het volledige beeld en niet uit één laboratoriumuitslag.
Dat onderscheid vinden we belangrijk.
Verantwoord parasietenbeheer betekent niet per se dat we minder behandelen.
Het betekent dat we doelgerichter behandelen.
Bij Maverick Stables is parasietenbeheer onderdeel van een bredere aanpak van preventieve paardenzorg. We zien ontwormen niet als een op zichzelf staande taak, maar als een beslissing die we moeten beoordelen in samenhang met leeftijd, ontwikkeling, weideomstandigheden, groepssamenstelling, eerdere behandelingen, diagnostische uitslagen en de individuele geschiedenis van het paard. Dat is extra belangrijk op een fokkerij- en opfokstal, waar de paarden in onze zorg kunnen variëren van pas gespeende veulens tot jaarlingen, fokmerries en volwassen sportpaarden. Zij hebben allemaal een verschillend niveau van weerstand en lopen verschillende risico’s op blootstelling.
Door die verschillen geloven we niet dat één vast ontwormingsschema voor ieder paard de beste aanpak biedt. Een jong paard dat pas van een andere fokker is gekomen, vraagt mogelijk om een andere mate van monitoring dan een volwassen merrie die meerdere seizoenen achter elkaar is onderzocht. Ook hoeft een paard met consequent lage aantallen wormeieren niet automatisch op precies dezelfde manier te worden behandeld als een paard dat herhaaldelijk grotere hoeveelheden eitjes uitscheidt.
Na verloop van tijd worden individuele patronen waardevol. Ze helpen ons om aannames te vervangen door een aanpak die gebaseerd is op wat we daadwerkelijk over het paard weten.
Daarom is het bijhouden van gegevens zo belangrijk. Eén testuitslag geeft informatie over één moment. Een reeks uitslagen die over langere tijd wordt verzameld, begint een verhaal te vertellen. We kunnen zien of een paard doorgaans weinig eitjes uitscheidt, of een jong paard in een bepaalde ontwikkelingsfase extra monitoring nodig heeft, en of veranderingen in de weide, groepssamenstelling of het management invloed lijken te hebben op de parasietendruk. Onderzoek is daarmee niet alleen een manier om te beslissen of een ontwormingsmiddel nodig is; het maakt deel uit van een doorlopend proces waarin we leren begrijpen hoe een individueel paard op zijn omgeving reageert.
Hetzelfde principe geldt wanneer behandeling nodig is. We willen dat er een duidelijke reden voor de beslissing is. Dat kan een mestuitslag zijn, maar ook de leeftijd, het seizoensrisico, klinische verschijnselen, een specifieke diagnostische test of veterinair advies. Tegelijkertijd willen we niet dat “eerst onderzoeken, dan behandelen” een starre regel wordt. Niet iedere parasiet is met standaard mestonderzoek op te sporen en soms kan behandeling gerechtvaardigd zijn, ook wanneer een gewoon mestmonster negatief is. Goed parasietenbeheer vraagt daarom om interpretatie en niet alleen om het volgen van één laboratoriumuitslag.
Die balans vinden we belangrijk. Ieder paard routinematig behandelen zonder te weten of dat nodig is, kan bijdragen aan resistentie tegen ontwormingsmiddelen. Te sterk vertrouwen op onderzoek zonder de beperkingen ervan te begrijpen, kan juist een vals gevoel van zekerheid geven. De beste aanpak ligt tussen die twee uitersten: diagnostiek gebruiken wanneer die nuttig is, herkennen waar de beperkingen liggen, het paard door de tijd heen volgen en waar nodig de dierenarts erbij betrekken.
Dat is uiteindelijk wat we bedoelen met “eerst onderzoeken, dan behandelen”. Het gaat er niet om behandeling te vermijden, en evenmin om te bewijzen dat ieder paard zonder ontwormingsmiddel kan. Het gaat erom dat behandeling deel uitmaakt van een onderbouwde beslissing in plaats van een gewoonte. Hoe meer we weten over het paard, zijn voorgeschiedenis en de parasietenrisico’s die op dat moment relevant zijn, hoe beter die beslissing kan worden.
Een mestmonster lijkt misschien een klein onderdeel van paardenmanagement, maar de informatie die het oplevert kan gevolgen hebben die verder gaan dan één behandeling. In combinatie met aanvullende diagnostiek, zorgvuldige observatie, weidemanagement en individuele registraties ontstaat een duidelijker beeld van wat er in een paard en in een groep gebeurt. Na verloop van tijd helpt die informatie om parasietenbeheer gerichter en verantwoorder te maken.
Voor ons is dat de werkelijke waarde van modern parasietenbeheer: het paard voor ons beschermen, zonder de bredere gevolgen van het medicijngebruik uit het oog te verliezen. Ontwormingsmiddelen blijven essentiële veterinaire hulpmiddelen, maar hun werkzaamheid op de lange termijn hangt af van zorgvuldig gebruik. Door te behandelen wanneer daar een reden voor is, onderzoek te doen wanneer dat bruikbare informatie oplevert en te blijven beoordelen of onze aanpak werkt, kunnen we individuele paarden beschermen én helpen om effectieve behandelopties voor de toekomst te behouden.
De informatie in dit artikel is uitsluitend bedoeld voor algemene educatieve doeleinden. Het artikel vervangt geen veterinair onderzoek, diagnose of individueel parasietenprogramma dat door een gekwalificeerde dierenarts is opgesteld.
De aanpak van parasietenbeheer moet worden afgestemd op het individuele paard. Daarbij kunnen onder meer leeftijd, gezondheid, weideomstandigheden, seizoen, management, geografische locatie, eerdere behandelingen en het parasietenrisico een rol spelen.
Mestonderzoek en andere diagnostische tests hebben beperkingen. Een negatieve uitslag sluit niet iedere parasiet of levensfase uit. In bepaalde situaties kan behandeling alsnog worden aanbevolen.
Ontwormingsmiddelen mogen uitsluitend in de juiste dosering en op passend veterinair advies worden gebruikt. Extra zorgvuldigheid is nodig bij veulens, jonge paarden, drachtige merries en paarden waarbij een zware parasietenbelasting wordt vermoed.
Bij Maverick Stables beoordelen we diagnostische uitslagen en behandelbeslissingen waar passend in overleg met onze veterinaire professionals.
Voor paardeneigenaren in Nederland biedt Paardenarts.nl nuttige veterinaire informatie over mestonderzoek, selectief ontwormen, weidemanagement en parasietenbeheer gedurende het jaar. De informatie legt ook uit waarom de aanpak in de herfst apart moet worden bekeken ten opzichte van het gebruikelijke onderzoek tijdens het weideseizoen.
Voor aanvullende internationale veterinaire richtlijnen publiceert de American Association of Equine Practitioners (AAEP) uitgebreide richtlijnen voor de bestrijding van inwendige parasieten. Deze behandelen onder meer mestonderzoek, het monitoren van resistentie en gerichte behandeling.